Proost Christen - Afl. 2

door Kolonel W. Potuyt

Inleiding op deze aflevering …

Zoals ik vorige keer al schreef maakt het schrijven over het gebruik van alcohol door Christenen veel reacties los.
We zullen er samen niet aan ontkomen, dat er nogal wat “heilige huisjes” gekraakt zullen worden en bestaande meningen herzien moeten worden.

Reeds de eerste aflevering leverde van diverse kanten als reactie op, dat dit werkelijk als een “breekijzer” overkwam en dat nu al mensen hebben aangegeven de drank voortaan “taboe” te verklaren.

Persoonlijk …

Sommige lezers hadden er al iets van begrepen,
maar hadden toch  vragen daarover. Daarom wil
ik deze keer graag duidelijk vertellen, dat ik deze
serie artikelen schrijf als ervaringsdeskundige …
Ik moet u daarvoor enig inzicht in het verleden
van mijn privéleven geven en gelooft u mij, dat
is bepaald niet eenvoudig.

Als jongeman groeide ik op in de Legersfeer. Mijn vader was namelijk Hoofd-Officier van het toenmalige Nederlandsch Leger des Heils.
Op mijn 7e jaar werd ik Jong-Soldaat en dat was het begin van een groot aantal jaren actief bezig zijn bij dat mooie stuk Heilsarbeid.
Met succes heb ik de complete opleiding tot Heilsofficier/Evangelist gevolgd, maar …

Je kan als mens wel heel erg actief bezig zijn met dat geloofswerk en toch met je hart er volledig buiten staan.
O, zeker, ik was een modelsoldaat en alles moest tot in de puntjes verzorgd zijn, maar mijn hart was er niet bij betrokken.

Tot een persoonlijk geloof in de Reddende Genade van Jezus Christus was ik nooit gekomen en heel eerlijk … ik miste het ook niet.
Ik deed belangrijk werk voor mensen, die aan de rand van de maatschappij terecht waren gekomen en was als Maatschappelijk Werker inzetbaar in de moeilijkste situaties.  

Toch had ik me wel volledig aan de leefregels van de Heilsarbeid verbonden en hanteerde dus ook voor mezelf een strikt taboe voor alles wat met alcohol e.d. te maken had. Ik had er ook geen enkele behoefte aan om iets van wijn of sterke drank te leren kennen.   

In 1961 kwam er een moment, dat ik besloot mij alleen nog op de toekomst van mijn vrouw en mezelf te concentreren en heel bewust verbrak ik alle banden met het Leger en daarmee ook van een groot aantal vrienden en familieleden.

Hoewel ik in Den Haag een goede baan had bij het Ministerie van Financiën greep ik in 1966 met beide handen een mij aangeboden betrekking in Groningen aan.

Het klinkt misschien vreemd, maar ik voelde dit als een “bevrijding” van de omgeving waarin ik was opgegroeid. Ver weg van de mensen, die mij toch nog steeds kenden als die oud-Heilsofficier.

Groningen … ik voelde me er thuis. Geen afkeurende blikken meer van oud-collega’s en familie. Gezellig een avondje uit eten gaan, met het eerste glas wijn van m’n leven.

Maar dat eerste glas had grote gevolgen. Een glas werd een fles. Een enkele fles werd een doos en al snel had ik èèn der best gesorteerde wijnkelders uit de stad.
Twee flessen op een avond waren niet genoeg meer om mijn afhankelijkheid te bevredigen. Al heel snel volgde het bier en de sterke drank. Whisky in alle soorten werd de favoriete dorstlesser.

Dat mijn werk hier ernstig onder te lijden had, deerde mij niet.
Mijn positie in het bedrijfsleven zat wel goed, totdat ik werkelijk dreigde aan de drank ten onder te gaan. Het werd ontslag, maar …  binnen de kortste keren was ik weer aan het werk. En hoe … ?
Achter de bar in de rosse buurt van Groningen, voelde ik me als een vis in het water. De drank was ineens veel goedkoper en het inkomen veel hoger !

Mijn vrouw was inmiddels ook in de horeca werkzaam geworden als bedrijfsleidster van “De Drie Gezusters” aan de Grote Markt, dus op mijn vrije momenten kon men mij nu daar vinden.

Lichamelijk een wrak kwam ik in 1974 in de WAO terecht.
Wat was er nog voor toekomst ? Armoede kenden wij uiteraard niet, dankzij het werk van mijn vrouw en de drank speelde nu een nog grotere rol in m’n leven. Ik hoefde me immers aan niemand meer te storen. En heel langzaam, maar zeker gleed ik in mijn drankverslaving weg naar een leven, waarin niets meer telde dan alleen die drank.

In die periode kwam er een heel bijzondere dag in mijn leven.
Mijn vrouw zette mij stomdronken uit haar zaak en daar stond ik dan. Tot overmaat van ramp werd er op de Grote Markt een hand op mijn schouder gelegd en een mannenstem zei: “Willem … Jij … !”
Het bleek een oud-collega uit de Legerwereld te zijn, maar ik schudde hem van me af. Ik had niets en niemand meer nodig.

Naar huis en hoe ik er gekomen ben, ik weet het niet …
Ik had nog maar èèn gedachte: “Ik maak er een eind aan !” Maar hoe doe je dat als je dronken bent. Wel, ik wist het heel precies. Je gaat net zolang zuipen tot je een delirium krijgt en dan komt de rest vanzelf.

Thuisgekomen was dus mijn eerste gang naar de drankkelder …
Even nog dacht ik, als ik van de trap afval ben ik er misschien ook wel geweest, maar toen ik de kelderdeur opendeed …

Er zat een poster op de binnenkant van de deur. Waarschijnlijk had die daar al jaren gehangen, maar met mijn benevelde kop zag ik hem nu eigenlijk voor het eerst en las daar:
“This day is the First day from the rest of your live !”

Het was 30 maart 1975 om 15.00 uur en ik schreeuwde het uit door de gang van ons huis: “Mijn God, moet zo het eind van mijn leven zijn?”
Vraag me nu maar niet hoe, maar ik kwam in de kelder en ging naar boven met twee flessen whisky. De keuken in … de doppen eraf en omgekeerd boven de gootsteen. Daar zette ik de eerste stap naar genezing en bevrijding.

Tientallen malen de trap op en neer en bij iedere fles die leeg ging  vloeide er ook iets van mijn dronkenschap en verslaving weg.
Toen mijn vrouw thuiskwam schold ze me uit voor alles wat ze maar kon bedenken en zei, dat ze me de volgende ochtend wel zou spreken.

Nadat de laatste fles van mijn voorraad leeg was – aan de collectie van mijn vrouw mocht ik niet aankomen – zocht ik in de boekenkast naar mijn Bijbel, die ik al die jaren niet in handen had gehad.

Ik legde hem op tafel en hij viel open, bij een tekst die ik in mijn jeugd ooit eens had aangestreept:

“Het gekrookte riet zal hij niet verbreken,
en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen !”
Jesaja 42:3

Nee, ik kon niet tot een gebed komen. Maar God ging in Zijn grootheid met mij aan het werk en veranderde mijn innerlijk, herstelde mijn lichaam en herschiep mij tot een nieuwe mens.

Het heeft nog drie weken geduurd, voordat mijn vrouw en ik samen onze knieën bogen en de Heer Jezus vroegen om onze levens in genade te willen aanvaarden.

En dat doet Hij !
Heel langzaam kwam toen de wens in ons leven om dienstbaar te mogen zijn aan het Evangelie en daarbij vooral aan de mensen, die door verslavingen gebonden zijn.

En gelooft u mij gerust: Gods Leerschool is een harde leerschool … Maar op 11 november 1976 mocht ik bij de notaris de oprichtingsakte van het “Nationaal Kruisleger” tekenen.

Al die jaren mogen we nu samen in de dienst van de Meester staan met als voornaamste prediking: “Wie door de Zoon van God is vrijgemaakt, is waarlijk vrijgemaakt !”

Tot slot:
Nu ben ik nog altijd een alcoholist, al begrijpt u dat misschien niet. Maar door Gods Genade mag ik sinds die 30e maart 1975 – 15.00 uur “droog” staan.

Dit alles te schrijven viel mij niet makkelijk, maar ik wilde u toch echt duidelijk maken, dat als ik schrijf over de Bijbel en drankgebruik, ik dat inderdaad doe als ervaringsdeskundige. Als u dat begrijpt, dan begrijpt u ook hoeveel verdriet het doet, als men in de Kerk nog altijd alcoholhoudende drank gebruikt bij de Avondmaalsviering.

Zo God het wil tot de volgende maand.


 

© Kolonel W. Potuyt